De drietrapsraket van klimaatpolitiek
Sven Stevenson - [ origineel in PDF ]
‘Europa kan helemáál níks verkeerd doen als het om klimaatbeleid gaat!’ Die opvatting kwam afgelopen december bij mij naar boven drijven nadat ik de commentaren in de Nederlandse kranten over het verloop van de internationale klimaatconferentie in Bali had gelezen. De EU werd geprezen vanwege haar ambities, heldere doelstellingen en voortrekkersrol. De VS daarentegen was de gebeten hond, want het land wilde zich nergens aan committeren zolang niet alle landen hetzelfde deden.
Van begin tot eind hadden de VS zich op Bali verzet tegen harde getallen voor broeikasgasvermindering zolang deze niet ook zouden gelden voor ontwikkelingslanden. Europa maakte zich daar minder zorgen over en had vanaf het begin gepleit voor een onvoorwaardelijke reductie van 25 tot 40 procent tegen 2020 in de geïndustrialiseerde landen. Het slotakkoord dat uiteindelijk op tafel kwam, bleek een inhoudsloos compromis te zijn, dat enkel de deur opent voor daadwerkelijk nieuwe klimaatafspraken in Kopenhagen, 2009.
Kortom, in het internationale overleg over mondiale klimaatdoelstellingen is de typerende rolverdeling tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie die de afgelopen tien jaar is ontstaan weer bevestigd. Europa is de grote ambitieuze weldoener, voor wie geen maatregel te ver gaat. En de VS is de skeptische en egocentrische dwarsligger bij internationale klimaatverdragen.
Jammer, maar de EU-insteek is lang niet zo nobel als het lijkt. Want voor het doel dat wij met zijn allen voor ogen hebben – een significante vermindering van de wereldwijde uitstoot aan broeikasgassen – zijn de Europese ambities ondoelmatig en ondoordacht. Een succesvolle internationale klimaatpolitiek moet gestoeld zijn op een drietrapsraket, die ook nog eens in de juiste volgorde moet worden aangestoken. Ten eerste door mondiale toezegging. Ten tweede door strikte regulering en toezicht. Pas op de derde en laatste plaats komen daar ambitieuze doelstellingen bij. En inderdaad, dan blijkt dat Europa de eerste twee raketten wil overslaan en alleen pronkt met de laatste klapper.
Trap 1: mondiale toezegging
Als de wereld klimaatverandering serieus neemt, is de enige oplossing om klimaatverandering tegen te gaan een mondiale aanpak. Omdat broeikasgassen zich in de atmosfeer vermengen is het immers irrelevant waar deze op de wereld zijn uitgestoten. In Nederland ondervinden wij net zo veel last van de Australische CO2-uitstoot als Australië hinder ondervindt van onze CO2-uitstoot.
Klimaatdeskundigen stellen dat de gevolgen van klimaatverandering binnen de perken blijven als wereldwijd de gemiddelde temperatuurstijging (in 2100) beperkt kan worden tot +2º Celcius. Hier kan een jaarlijkse tolereerbare hoeveelheid broeikasgasuitstoot bij worden berekend. Deze maximale uitstoot geldt voor de mondiale uitstoot.
Effectief beleid houdt dan ook in dat alle landen een limiet krijgen opgelegd voor hun uitstoot. Alleen zo kan de mondiale uitstoot onder controle worden gebracht. Als niet alle landen een limiet in hun uitstoot van broeikasgassen hebben, ontstaat er onherroepelijk een lekkage van broeikasgassen van geïndustrialiseerde landen (met limiet) naar ontwikkelingslanden (zonder limiet).
Trap 2: strikte regulering en toezicht
De tweede raket sluit direct op de eerste aan. Om te beginnen moet er lering worden getrokken uit het verleden. Het Kyoto-protocol werd eind jaren ’90 door veel geïndustrialiseerde en ontwikkelingslanden ondertekend, met als grote uitzondering de VS. Belangrijker is echter om te zien dat er voor de geïndustrialiseerde landen een reductiedoelstelling van –8 procent ten opzichte van 1990 was vastgelegd en ontwikkelingslanden in onbeperkte mate hun uitstoot konden vergroten.
In deze situatie ontstond er een economisch probleem. In de geïndustrialiseerde landen werd CO2-uitstoot een schaars goed, immers de ruimte voor CO2-uitstoot was beperkt. Of het nu gebeurt door belastingen, opkoping, sluiting of emissierechten, links- of rechtsom, voor dit schaarse goed moet betaald worden. Inmiddels is duidelijk dat in de periode van het Kyoto-protocol (2008-2012) de prijs van een ton CO2 ongeveer 20 euro is. Dit terwijl in ontwikkelingslanden CO2-uitstoot gratis blijft.
Om ontwikkelingslanden toch te betrekken in het tegengaan van klimaatverandering en ze te prikkelen om schonere energie te gebruiken zijn er in het Kyoto-protocol handelsinstrumenten ontwikkeld. Het komt er op neer dat als een Chinese kolencentrale overgaat op een duurzamere verbrandingsmethode en daar 5 miljoen ton CO2-uitstoot mee bespaart, deze besparing kan verkopen aan geïndustrialiseerde landen en hun bedrijven. Deze kunnen daarmee aan hun reductieverplichtingen voldoen. Een lucratieve internationale handel in emissiereducties is ontstaan.
Valse emissiereducties liggen echter op de loer. In China zijn al voorbeelden bekend van energiecentrales die enkel zijn gebouwd om veel te vervuilen, daarna ‘schoner’ te maken, en dit als emissiereductie te verkopen. De handel in emissiereducties is vele malen lucratiever gebleken dan het produceren van elektriciteit! Dit soort schijnreducties moet ten koste van alles worden tegengegaan omdat het de basis van het systeem onderuit haalt. Hetzelfde geldt voor landen waar wel limieten aan de CO2-uitstoot zijn. Daar moet zeer strikt worden gecontroleerd dat de informatie over de CO2-uitstoot van bedrijven correct is. Zonder scherpe regulering en toezicht kunnen limieten niet worden gehandhaafd.
Trap 3: ambitieuze doelstellingen
Met mondiale toezegging en strikte regulering en toezicht is een internationaal speelveld gewaarborgd. Het dichtdraaien van de CO2- kraan in Europa zal dan niet leiden tot het wagenwijd openzetten van diezelfde kraan in opkomende economieën. En dan is het tijd voor de ambitieuze doelstelling van Europa. 50 procent minder broeikasgasuitstoot in 2050 in geïndustrialiseerde landen kan dan ook geloofd worden als een daadwerkelijk succes in onze klimaatambities.
De uitstoot van broeikasgassen is het grootste externe effect dat te bedenken valt. De schade van onze individuele CO2-uitstoot delen we met alle bewoners van de aarde. De hele wereld zal dan ook in moeten teren op haar uitstoot als we écht wat willen doen aan klimaatverandering.
Kan dit ook zonder de steun van ontwikkelingslanden? Onmogelijk. China en India streven over een paar jaar de VS voorbij als grootste uitstoters ter wereld. De toekomst ligt voor een groot gedeelte dan ook in hun handen. Dat de VS dan ook eisen dat deze landen harde limieten voor hun maximale CO2-uitstoot onderteken lijkt niet meer dan vanzelfsprekend. Bekeken vanuit onze drietrapsraket is de eerste, onvermijdelijke, stap het vastleggen van de maximale CO2-uitstoot voor alle landen.
Europa’s plannen zijn ambitieus maar té eenzijdig. Beter is het om India en China te overtuigen dat ook zij essentiële spelers in het spel zijn en hun uitstoot moeten vastleggen. Dat gaat niet zomaar, want de argumenten van deze opkomende wereldmachten voor economische groei in plaats van CO2-beperking zijn terecht. Maar, zoals de Indiaase econoom Jagdish Bhagwati betoogde, alles valt in geld uit te drukken. Europa en de VS hebben 150 jaar lang een feestje kunnen vieren met economische groei draaiende op gratis CO2- uitstoot. India en China behoren van de geïndustrialiseerde landen dan ook een behoorlijke financiële compensatie te krijgen voor het beperken en vastleggen van hun uitstoot. Bovendien moeten deze landen worden bijgestaan in het opzetten van regulering en toezicht van hun interne uitstoot.
Het is misschien wel de hoofdprijs die betaald moet worden voor een mondiale toezegging, maar wanneer voor een serieuze aanpak wordt gekozen rest er geen andere keus. Laat de EU en de VS hier eerst samen voor knokken: harde limieten aan de uitstoot voor alle landen ter wereld. Daarna mag Europa weer pronken met haar ambitieuze reductiedoelstellingen.
Dit artikel verscheen eerder in ‘Lava’, ledenblad Jonge Socialisten in de PvdA, februari 2008.



Geen reacties, Reageer of Ping