Sven Stevenson

Avatar

Politieke overpeizingen, muzikale intermezzos en mijn andere nieuwsgierigheden.

De gekte doorbroken

Huidig kabinet kiest eindelijk wél voor aanpak van de topinkomens

Door Sven Stevenson

“Noemt u mij eens drie maatregelen tegen de topinkomens”, riep Wouter Bos tijdens het zo succesvolle RTL-debat in de zo weinig succesvolle campagne van 2006. Balkenende moest nul op het rekest geven, herinneren we ons allemaal. Een open zenuw in de samenleving werd verder blootgelegd. De maatschappij had schoon genoeg van het losgeslagen beloningsfestijn onder managers en andere grootverdieners. Voor een PvdA die regeringsverantwoordelijkheid nam was er dan ook de schone taak om de topinkomens aan te pakken. Maar hoe heeft Bos gepresteerd in zijn eerste anderhalf jaar als minister van Financiën?

Jaren van gekte
Om de kern van het probleem te begrijpen moeten we eerst terug in de tijd. De maatschappelijke aversie tegen de topinkomens begon zich eind jaren negentig al te manifesteren. Toenmalig Minister-president Wim Kok sprak al in 1997 van ‘exorbitante zelfverrijking’ naar aanleiding van berichten over de explosieve stijging van topinkomens. Hij wist daarmee de kritiek goed te verwoorden, want het gevoel overheerste dat het de ‘old boys’ waren die elkaar in de top van het bedrijfsleven megabeloningen toekenden. Géén redelijke vergoedingen, géén salaris op basis van concurrentiepositie maar zelfverrijking door gebruik te maken van de eigen machtspositie.

De jaren daarna stapelden de voorbeelden van topinkomens elkaar op. Anders Moberg ging zeker niet voor een appel en een ei bij AH aan de slag, het kwam de grootgrutter zelfs op een boycot van consumenten te staan. De topmannen van de Nederlandse energiebedrijven die, ondanks soms tegenvallende prestaties, hun bonussen de lucht in zagen knallen. Rijkman Groenink die een wanprestatie – de verkoop van ABN-Amro – vertaald zag worden in een miljoenendouche voor zichzelf.

Het graaien drong ook door tot de publieke sector. Zo stelde in 2004 de Algemene Rekenkamer dat er sprake was van een ‘graaicultuur’ op het ministerie van Onderwijs. Het voorlopig hoogtepunt van de topinkomens kwam met het bedrag dat CEO Jan Bennink van Numico binnensleepte na de verkoop van Numico in 2007. De topman verdiende er 87,4 miljoen Euro mee.

De publieke verwerping
Interessant is om te achterhalen waarom de maatschappelijke onvrede over topinkomens zo groot is geworden. Een opmerkelijk verschil doet zich bijvoorbeeld voor als de vergelijking wordt gemaakt met de inkomens van topvoetballers en ondernemers. Over hun inkomens is de discussie aanmerkelijk minder: we accepteren het. Wat maakt het verschil?

Allereerst is daar de maatschappelijke verantwoordelijkheid. In tijden van reorganisatie zijn het de topbestuurders die vaak beslissen over de toekomst van al het in dienst zijnde personeel. Wanneer duizenden worden ontslagen, of er een oproep wordt gedaan om de lonen te matigen komt het al te vaak voor dat de topbestuurders zelf hun inkomen zien stijgen. Het vergroot de afstand tussen werknemer en management en het wekt weinig begrip onder het personeel. Het komt er op neer dat topmannen in moeilijke tijden zelf niét het goede voorbeeld geven.

Ten tweede is er sprake van een verkeerde schakeling tussen de prikkels voor bestuurders en de belangen van werknemers en vele aandeelhouders. De contracten van topmannen bevatten vaak bonussen op basis van aandelenopties. De beurskoers is daardoor de belangrijkste graadmeter voor de beloning van een topman. Bij een overname van het bedrijf stijgt de beurskoers en stijgt dus het inkomen. Veel bestuurders hebben daardoor een korte-termijn prikkel (overname) die boven de lange-termijn prikkel (stabiele groei) gaat.

In de publieke sector speelt een ander element een belangrijke rol: de financiering uit publieke middelen. Het getuigd van deugdelijk openbaar bestuur en verantwoordelijkheid richting de burger als zo voorzichtig mogelijk wordt omgegaan met de beloning aan topambtenaren. De vele gouden-handdrukken, de salarissen binnen de jeugdzorg, waterbedrijven, etc. zijn daarmee strijdig. Overschrijding en excessen van beloningen binnen de publieke sector gaan er niet in bij de burger.

Stappen in de goede richting
Hoewel Wim Kok de topsalarissen al in 1997 op de politiek agenda zette, zou het tot 2004 duren voor er een eerste zet werd gegeven tot het inperken van de topsalarissen. Balkenende-II brandde de handen nog niet aan de beloningen in de markt, maar voor de publieke sector kwam de Balkenende-norm bovendrijven.

De Balkenende-norm stelt dat binnen de publieke sector, in beginsel, niemand meer verdiend dan de Minister-president. Aanleiding was het rapport ‘Over dienen en verdienenen’ van een commissie onder leiding van Hans Dijkstal die concludeerde dat “de verschillen in positie tussen politieke ambtsdragers en topambtenaren zichtbaar moeten zijn in de salarisverhoudingen, want politieke ambtsdragers dragen in tegenstelling tot ambtenaren politieke eindverantwoordelijkheid en lopen grotere (afbreuk)risico’s. Het ministerssalaris moet daarom het hoogste salaris in de publieke sector zijn.”

Om de scheefgroei tussen ministerssalaris en topambtenaren recht te trekken moesten de salarissen voor ministers daarvoor echter wel met 30% stijgen. De Balkenende-norm (ongeveer 170.000 euro) kreeg al snel brede steun onder samenleving en politiek.

Bos aan zet
Handhaving is het grote probleem van de Balkenende-norm. Vrijwel overal binnen de publieke en semi-publieke sector wordt de norm met voeten getreden. Voor de PvdA daarom de taak om de beteugeling in de publieke sector te versterken en een begin te maken met het aanpakken van de topinkomens buiten de publieke sector. Voor de publieke sector heeft de PvdA inmiddels gezorgd voor een aantal concrete voorstellen om de maximering te verharden.

Een doorbraak is er gekomen wat betreft de aanpak van de topinkomens in het bedrijfsleven. Al tijdens Prinsjesdag 2007 kwam Wouter Bos met voorstellen om topinkomens aan te pakken door het zeer zwaar belasten van pensioenopbouw en dure huizen. Onder druk van het CDA moesten die plannen echter worden teruggetrokken.

Het alternatief van Bos werd in het voorjaar gepresenteerd onder de naam ‘Wetsvoorstel belastingheffing excessieve beloningsbestandsdelen’. Het richt zich precies op die elementen van de buitensporige beloningen die de maatschappelijke onvrede opwekken.

De plannen betekenen dat werkgevers een extra heffing van 30 procent gaan betalen over vertrekvergoedingen van meer dan 500.000 euro voor topbestuurders. Dit betekent dat vertrekvergoeding straks in totaal voor 82% belast worden. Ook komt er een extra belastingheffing van 15 procent als topfunctionarissen op de valreep een fors hoger pensioen krijgen. Verder moeten de ‘sprinkhaanfondsen’, die nu vaak nauwelijks belasting betalen, straks 25 procent gaan afdragen over winst uit investeringen.

De uitdaging die nu ligt
Hoewel de Tweede Kamer begin september akkoord is gegaan met het wetsvoorstel van Bos zijn er nog een aantal beren op de weg. Het draait daarbij om handhaving. Er is uitermate veel kritiek gekomen op de uitvoerbaarheid van de plannen. Als blijkt dat bedrijven de heffingen straks makkelijk kunnen omzeilen kan dat desastreus zijn voor het draagvlak onder de plannen. Hetzelfde geldt voor de Balkenende-norm in de publieke sector. Alleen een strikte hantering kan een trendbreuk forceren. Die trendbreuk is niet alleen maatschappelijk nodig, maar kan Nederland ook een voortrekkersrol in Europa geven. Minister Bos heeft het beloningsbeleid in het bedrijfsleven al op de Europese agenda gezet.

De PvdA, als agendazetter weet zich daarbij gesteund door Jean-Claude Trichet, president van de ECB, die al duidelijk onder woorden bracht dat hij zich zorgen maakt over het gedrag van topmannen bij internationale banken. Zijn uitspraak maakt des te meer duidelijk dat de tijd is aangekomen om terug te keren naar een duidelijke koppeling tussen de beloningsontwikkeling van bestuurders aan die van werknemers. De huidige Nederlandse aanpak is daarbij een moeizame, maar cruciale eerste aanzet.

Dit artikel verscheen eerder in ‘Lava’, ledenblad Jonge Socialisten in de PvdA, oktober 2008.

Geen reacties, Reageer of Ping

Reageer op “De gekte doorbroken”

Welkom op mijn (oude) site!

Deze website is verouderd. Voor wie het geduld kan bewaren: binnenkort kunt u hier een nieuwe versie van mijn persoonlijke website vinden. Ik zie u spoedig terug!

Ik ben Sven Stevenson, woon in Utrecht en ben econoom. In 2008-2009 was ik landelijk voorzitter van de Jonge Socialisten in de PvdA.
Meer weten?